direct naar inhoud van Regels
Plan: Vroomshoop bedrijventerreinen herziening
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1700.201612BPVHMP-ont1

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan:

Het bestemmingsplan Vroomshoop bedrijventerreinen herziening met identificatienummer NL.IMRO.1700.201612BPVHMP-ont1 van de gemeente Twenterand;

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 2 Bedrijventerrein

2.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 1': bedrijven tot en met categorie 1 van de Staat van bedrijven;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2': bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van bedrijven;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1': bedrijven tot en met categorie 3.1 van de Staat van bedrijven;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2': bedrijven tot en met categorie 3.2 van de Staat van bedrijven;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.1': bedrijven tot en met categorie 4.1 van de Staat van bedrijven;
  • f. kantoren als onderdeel van een bedrijf;
  • g. bedrijven, zoals deze worden uitgeoefend op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, uitsluitend overeenkomstig de bestaande bedrijfsvoering;
  • h. productiegebonden detailhandel;
  • i. bedrijfswoningen, uitsluitend voor zover bestaand; Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning': tevens een bedrijfswoning;
  • j. hondenuitlaatplaatsen;
  • k. reclame-objecten, onder andere in de vorm van lichtmasten, MUPI's en reclamedisplays;
  • l. standplaats voor ambulante handel;
  • m. opslag van materialen, ter plaatse van de aanduiding 'opslag';
  • n. kantoor, ter plaatse van de aanduiding 'kantoor';
  • o. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals: groenvoorzieningen, tuin, erf, reclame-objecten, water, nutsvoorzieningen, (ontsluitings)wegen en paden, parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen.

In de bestemming zijn niet begrepen:

  • geluidzoneringsplichtige inrichtingen;
  • risicovolle inrichtingen.
2.2 Bouwregels
  • a. Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    • 1. de bedrijfsgebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak;
    • 2. het maximale bebouwingspercentage van een bouwperceel bedraagt niet meer dan 70%;
    • 3. de afstand van een bedrijfsgebouw tot de niet naar de weg gekeerde perceelgrens bedraagt ten minste 3 m, dan wel de bestaande afstand indien deze geringer is; met dien verstande dat de bedrijfsgebouwen van de percelen De Sluis 11, De Sluis 13 en De Sluis 15 op de niet naar de weg gekeerde perceelgrens mag worden gebouwd;'
    • 4. de bouwhoogte van de bedrijfsgebouwen bedraagt ten hoogste 12 m, dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze hoger is. In afwijking hiervan bedraagt de bouwhoogte van de bedrijfsgebouwen ten hoogste 20 m, ter plaatse van de aangegeven aanduiding 'hoogte (m)'.

  • b. Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels;
    • 1. de hoofdgebouwen worden uitsluitend overeenkomstig de bestaande situatie gebouwd binnen het bouwvlak;
    • 2. de afstand van de hoofdgebouwen tot de niet naar de weg gekeerde perceelgrens bedraagt ten minste 3 m, dan wel de afstand van het bestaande hoofdgebouw tot de niet naar de weg gekeerde perceelgrens indien deze geringer is;
    • 3. de goothoogte bedraagt niet meer dan 6 m, dan wel niet meer dan de goothoogte van het bestaande hoofdgebouw indien deze hoger is; 'met dien verstande dat de bedrijfsgebouwen van de percelen De Sluis 11, De Sluis 13 en De Sluis 15 op de niet naar de weg gekeerde perceelgrens mag worden gebouwd;'
    • 4. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 9,5 m, dan wel niet meer dan de bouwhoogte van het bestaande hoofdgebouw indien deze hoger is;
    • 5. de inhoud van de hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 750 m3;
    • 6. het aantal bedrijfswoningen mag niet meer dan het bestaande aantal bedragen.

  • c. Voor het bouwen van ondergeschikte gebouwen ten behoeve van bedrijfswoningen gelden de volgende regels:
    • 1. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3 m, dan wel niet meer dan de goothoogte van het bestaande ondergeschikte gebouw indien deze hoger is;
    • 2. de bouwhoogte bedraagt niet meeer dan 5 m, dan wel niet meer dan de bouwhoogte van het bestaande ondergeschikte gebouw indien deze hoger is;
    • 3. zij dienen op een afstand van ten minste 1 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw te worden gebouwd met uitzondering van aangebouwde ondergeschikte gebouwen met een diepte van ten hoogste 1,5 m en een maximum oppervlakte van 7,5 m2;
    • 4. de gezamenlijke oppervlakte van de ondergeschikte gebouwen bij een woning bedraagt niet meeer dan 75 m2;
    • 5. de afstand tot de niet naar de weg gekeerde perceelgrens van het bouwperceel bedraagt ten minste 3 m, tenzij op de niet naar de weg gekeerde perceelgrens wordt gebouwd;
    • 6. de gezamenlijke oppervlakte aan niet-vrijstaande ondergeschikte gebouwen mag nooit meer bedragen dan de oppervlakte van het hoofdgebouw;
    • 7. de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande ondergeschikte gebouwen mag niet meer dan 50 m2 bedragen;
    • 8. de afstand van vrijstaande ondergeschikte gebouwen tot andere gebouwen dient minimaal 1 m te bedragen, dan wel minimaal de bestaande afstand indien deze kleiner is.

  • d. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende regel:
    • 1. de bouwhoogte, met uitzondering van bouwwerken die betrekking hebben op de regeling en/of de geleiding van het verkeer, bedraagt binnen het bouwvlak ten hoogste 9 m en buiten het bouwvlak ten hoogste 3 m, met dien verstande dat:
      • de bouwhoogte van erfafscheidingen ten hoogste 2 m bedraagt;
      • de bouwhoogte van kunstwerken ten hoogste 3,5 m bedraagt;
      • de bouwhoogte van reclameobjecten ten hoogste 4,5 m bedraagt;
      • er buiten het bouwvlak geen overkappingen mogen worden geplaatst.
2.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • de woon- en werksituatie;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • de verschijningsvorm van de gebouwen;

nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2.4 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • de woon- en werksituatie;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

worden afgeweken van het bepaalde in lid 2.2, sub d voor het realiseren van vlaggenmasten buiten het bouwvlak tot een hoogte van 9 m.

2.5 Specifieke gebruiksregels

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken, dan wel te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in lid 2.1 gegeven bestemmingsomschrijving. Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen:

  • het gebruik van de gronden voor detailhandel, met uitzondering van productiegebonden detailhandel;
  • het gebruik van de gronden ten behoeve van de op- en overslag van goederen binnen 3 m van de niet naar de weg gekeerde perceelgrens van de bedrijfsgebouwen, tenzij de gronden zijn voorzien van de aanduiding 'opslag';
  • het gebruik van gronden ten behoeve van de opslag van goederen voor de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfsgebouwen;
  • het gebruik van gronden voor zelfstandige kantooractiviteiten, tenzij de gronden zijn voorzien van de aanduiding 'kantoor'.
2.6 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk plaatsvindt van:

  • de woon- en werksituatie;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • de milieusituatie;
  • a. afwijken van het bepaalde in lid 2.1 voor de vestiging van bedrijven, welke weliswaar niet zijn genoemd in de lid 2.1 toegestane categorieën van bedrijven, mits de bedrijfsactiviteiten naar aard en invloed op de woonomgeving gelijk te stellen zijn met de in de Staat van bedrijven genoemde categorieën;
  • b. afwijken van het bepaalde in lid 2.1 en 2.5 voor detailhandel in volumineuze goederen, zoals :
    • 1. detailhandel in volumineuze goederen, zoals auto;s, boten, caravans, keukens, badkamers, landbouwwerktuigen, grove bouwmaterialen en bouwmarkten met een maximum verkoopvloeroppervlak van 1.500 m2;
    • 2. tuincentra;
    • 3.   in de vorm van individuele meubeltoonzalen met een oppervlakte van maximaal 1.500 m2 verkoopvloeroppervlak per zaak.

De onder 1 tot en met 3 bedoelde detailhandel mag uitsluitend plaatsvinden indien is aangetoond dat over voldoende eigen parkeerruimte kan worden beschikt.

2.7 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat op de gronden ter plaatse van de aanduiding ''wro-zone - wijzigingsgebied' de bedrijfsactiviteiten in de gebouwen ter plaatse ter plaatse van de aanduidingen 'opslag' en 'kantoor' mogen worden gewijzigd in de bedrijfscategorie 3.1 als bedoeld in de Staat van bedrijven en in bedrijfsactiviteiten die naar aard en invloed op de woonomgeving hiermee gelijk zijn te stellen.

Artikel 3 Relatiebepaling

3.1 Bestemmingsplan

Het bestemmingsplan Vroomshoop bedrijventerreinen herziening behelst een aanpassing van het bestemmingsplan:

Bestemmingsplan   NL.IMRO nummer   Vastgesteld  
Vroomshoop bedrijventerreinen   1700.BPBVH2009MP0002-vas2   12 november 2013  

Voor zover in het voorliggende bestemmingsplan niet anders is bepaald blijven de regels van het bovengenoemde bestemmingsplan gelden.

De verbeelding van het bovengenoemde bestemmingsplan blijft gelden en is ongewijzigd.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 4 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 5 Overgangsrecht

5.1 Overgangsrecht bouwwerken
5.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
5.1.2 Afwijking

Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van lid 5.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 5.1.1 met maximaal 10%.

5.1.3 Uitzondering overgangsrecht bouwwerken

Lid 5.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

5.2 Overgangsrecht gebruik
5.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

5.2.2 Strijdig gebruik

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 5.1.2, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

5.2.3 Verboden gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in lid 5.1.2, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

5.2.4 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik

Lid 5.1.2 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 6 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan 'Vroomshoop bedrijventerreinen herziening'.